Vergiffenis

roos

Vandaag lag ik het indrukwekkende blog van Frank Liefdu waarin hij zijn spijt betuigt over gemaakte fouten in het verleden. Los van het feit dat ik het bijzonder dapper vind om een dergelijke getuigenis op deze manier bekend te maken, zijn zonden er om vergeven te worden.

Niet alleen in het geval van Frank, maar het is een universeel gegeven dat je van pijn wordt bevrijd door vergiffenis te schenken.

Ik moest denken aan één van de boeken van Paulo Coehlo waarin hij het als volgt beschrijft: 

‘De tranen die ze me lieten huilen vergeef ik,

Het lijden en de teleurstellingen vergeef ik,

Het verraad en het gekonkel vergeef ik,

De leugens en de laster vergeef ik,

De steken die ze me toebrachten vergeef ik,

De verstoorde dromen vergeef ik,

De nooit vervulde hop vergeef ik,

De liefdeloosheid en de jaloezie vergeef ik,

De onverschilligheid en de tegenwerking vergeef ik,

De onrechtvaardigheid in naam der rechtvaardigheid vergeef ik,

De boosheid en de mishandelingen vergeef ik,

Het verwaarlozen en het vergeten vergeef ik,

De wereld met al haar kwaad vergeef ik’

‘Ik vergeef ook mezelf. Mogen de tegenslagen uit het verleden niet langer als een last op mijn hart drukken. Gekwetstheid en verbolgenheid vervang ik door inzicht en begrip. Opstandigheid vervang ik door de muziek. Verdriet vervang ik door vergetelheid. Wraak vervang ik door overwinningen.’

(uit:  Aleph, Paulo Coelho)

Ik wens je een liefdevolle zondag.

Méri.

Advertenties

Een gelovig sprookje

Man ontmoet vrouw. DeMan is communist, DeVrouw streng gelovig. Maar zie! Liefde overwint alles. DeMan gaat wekelijks naar catechisatie om uiteindelijk voor haar zijn geloofsbelijdenis te doen. Zo konden DeMan en DeVrouw in de kerk trouwen en hun kroost keurig laten dopen. Zoals het hoorde.

En zo gebeurde het dus dat ik, een paar maanden oud, het heilige wijwater op m’n bolletje gesprenkeld kreeg. Waar de meeste kinderen huilden bij dit ritueel, gaf ik geen krimp en keek slechts verbaasd de wereld in.

De God van mijn moeder had een scherp oog voor onze tekortkomingen. Mijn manier van geloof belijden daarentegen was nogal een vrije. Niet alleen zag ik onze lieve Heer als een weldoener met grijze baard bovenop een wolk, ik bezat ook enige rebelsheid ten aanzien van het geloof. Dit werd gevoed door de vriendschap met de dochter van de koster. De kerk was op zondag ons speelplein. We kwamen op plaatsen waar de doorsnee kerkganger niet kwam. We grapten en grolden op heilig terrein. En wat bleek? Mijn lieve Heer keek vanaf zijn wolk en vond het goed.

De prangende vragen kwamen met het opgroeien. Vragen waarop mijn mams het antwoord niet wist en mijn paps wat schamper lachte en steevast zei: ‘Pas maar op! Op een goede dag zal de beer uit het oosten komen’.  Einde discussie. En voor mij betekende het een begin van het einde van de kerk. Bij iedere verhuizing die ik meemaakte, stond er weer een ouderling voor de deur om mij welkom te heten in de gemeenschap. Met een boekje in de hand om te noteren wat zijn priemende ogen zagen. Op zoek naar de deugdzaamheid die hij hoopte te vinden en die ik niet te bieden had. Het geloof. Ik had er niets meer mee en kon er niets mee mee. Ik liet me uitschrijven uit de gemeenschap die kerk heet. Voor dat moment was ik bevrijd.

Jaren later heb ik mijn mams op haar sterfbed voorgelezen uit haar dagbijbel. Ik huilde bij het lezen van de teksten, waarin liefde alleen voor de Heer bestond, het moraliserende vingertje richting wees en andersdenkenden als ‘HET KWAAD’ labelde. Hele passages liet ik weg,  teksten verdraaide ik, om haar in liefde het tijdelijke voor het eeuwige te helpen verruilen.

En met mijn paps? Met hem heb ik nooit over het geloof kunnen praten. Het was een dun laagje goud, dat zijn communistisch hart bedekte. ‘Ik ben de heer Uw God’ was zijn gevleugelde uitspraak waarbij z’n ogen stiekem glinsterden. Nu kan ik zeggen: ‘lieve Paps, ik begrijp je. Ik ben net als jij.’

Hinkelen

foto11

Vanmiddag struikelde ik er bijna over. Een flink stuk kalkzandsteen dat naast een grote bouwcontainer vol puin ligt. Terwijl ik buk om het stuk steen op te rapen, ga ik in een split of a second terug in de tijd.

Ik zie mezelf: een donkerharig grietje, verwarde haren, kapotte knieën en de kniekousen op haar enkels, brutaal lachend met maar één wens: Buiten spelen. De wereld in.

In het nu sluit ik mijn ogen. Ik hoor weer de stemmen van kinderen, het gejoel. Terwijl het in het nu een mooie nazomerdag is, voel ik in het toen de frisse wind die langs mijn benen strijkt. Met ‘blote benen’ buitenspelen dat was wat ik wilde. Altijd. Wanneer de winter amper op zijn retour was en de eerste zonnestralen weer licht brachten, liet ik me niet weerhouden door de straffe wind die de wolken verjoeg.  Klaar stond ik met kniekousen, niks geen kriebelende maillot met stopplekken op de knieën van het vallen. De blikken van mijn moeder negerend. Een meisje met een eigen wil. Een wil die al op jonge leeftijd haar weg naar buiten zoekt. Om te ontdekken. En geen nee wil horen. Eigenzinnig was m’n tweede naam en onhandelbaar één van de labels die aan mij hing. In het nu zeg ik: en vooral onbegrepen. Onbegrepen werd mijn wereld vol fantasie. Mijn wereld die bescherming moest bieden aan teveel prikkels. Een wereld waarin ik mij veilig waande.

Ik verlaat m’n gedachten en hurk. Ik zet de steen aan de grond. Met een schurend geluid kras ik de eerste lijnen. Een groot vlak. Een glimlach verschijnt. Ik ben weer terug in de straat met joelende kinderen. M’n bewegingen worden vaster. Een groot vlak, een gedeeld vlak erboven. Nog een groot vlak. Terug naar het nu. Een buurman haalt me uit m’n dromerij. Hij herkent de figuren. Hij wijst op de getallen die erin moeten. Ja! De getallen. Ik herinner mij nu ook weer de bewegingen die je voeten moeten maken. Het binnen de lijnen blijven. Het is als een levensspel. Je bent een afvallige wanneer je buiten de lijnen komt. Vooral veilig in de hokjes blijven, dat is het devies. Maar ik wil balanceren, op de rand. De balans van één been voelen om vervolgens weer met beide benen te aarden. Het kinderspel dat zo dicht het werkelijke leven benadert. Proberen moet ik het. De cadans van het gewicht verdelen. En zo gebeurt het dat ik op een prachtige nazomerdag sta te hinkelen. Nadat ik weer weet hoe een hinkelbaan tekenen.